ECLI:NL:CRVB:2009:BH0163
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid ondanks zwakbegaafdheid
Appellant, die sinds 1991 een WAO-uitkering ontving vanwege psychische klachten en een laag ontwikkelingsniveau, werd in 2006 geconfronteerd met de beëindiging van zijn uitkering omdat hij volgens het UWV minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
Hoewel appellant aanvankelijk als volledig arbeidsongeschikt werd beschouwd op basis van een psychiatrisch rapport uit 1995 waarin zwakbegaafdheid en agressieregulatieproblematiek werden vastgesteld, nuanceerden latere medische beoordelingen deze diagnose. De verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsartsen concludeerden dat appellant ondanks zijn beperkingen nog in staat is tot het verrichten van bepaalde arbeid, zoals schilderen en samenstellen.
Appellant voerde aan dat het UWV zijn beperkingen onderschatte en dat het vertrouwensbeginsel werd geschonden omdat hij jarenlang op voortzetting van zijn uitkering had gerekend. De Raad oordeelde dat het UWV verplicht is de uitkering te beëindigen bij minder dan 15% arbeidsongeschiktheid en dat appellant geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan voortzetting.
De Raad vond de medische onderbouwing van het UWV overtuigend en stelde vast dat de beperkingen van appellant niet zodanig zijn dat hij geen arbeid kan verrichten. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de beëindiging van de WAO-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.