ECLI:NL:CRVB:2009:BG9701
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens geschiktheid voor rugsparende arbeid
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV tot intrekking van zijn WAO-uitkering per 8 augustus 2005, omdat hij door rugklachten zijn oorspronkelijke werk niet meer kon verrichten maar wel geschikt was voor rugsparende arbeid waarmee hij ten minste 85% van zijn loon kon verdienen.
De rechtbank Zutphen vernietigde het bestreden besluit wegens onvoldoende arbeidskundige motivering, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de rechtsgevolgen van het besluit niet in stand mochten blijven omdat het besluit was genomen na 1 juli 2005, verwijzend naar een eerdere uitspraak van de Raad (LJN AR4716).
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat dit betoog berust op een verkeerde uitleg van die uitspraak en verwees naar een latere uitspraak (LJN BC7279). Het hoger beroep slaagde daarom niet en de Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.