ECLI:NL:CRVB:2008:BH0390
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens handel in auto’s zonder melding
Appellant ontving vanaf februari 2006 bijstand als alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een onderzoek van het College van burgemeester en wethouders van Heiloo, waarbij gegevens van de RDW werden betrokken, werd vastgesteld dat appellant gedurende de periode handel in auto’s verrichtte zonder dit aan het College te melden.
Het College trok de bijstand met ingang van 28 februari 2006 in en vorderde de kosten van bijstand over de periode tot eind maart 2006 terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de onderzoeksbevindingen, waaronder het feit dat circa 125 kentekens sinds 1997 op naam van appellant stonden en meerdere transacties plaatsvonden, voldoende bewijs vormden dat appellant als autohandelaar actief was. Appellant had zijn stelling dat auto’s eigendom waren van vrienden onvoldoende onderbouwd.
De Raad concludeerde dat appellant de inlichtingenverplichting uit artikel 17 WWB Pro had geschonden door zijn activiteiten niet te melden, waardoor het College het recht op bijstand niet kon vaststellen. Het College was bevoegd de bijstand in te trekken en de kosten terug te vorderen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde handel in auto’s wordt bevestigd.