ECLI:NL:CRVB:2008:BG9543
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde Ziektewet-uitkering zonder dringende redenen
Appellante ontving na het verstrijken van de maximale periode van 52 weken ziekengeld onterecht een bedrag van € 8.125,20 aan Ziektewet-uitkering. Het UWV vorderde dit bedrag terug, hetgeen door appellante werd bestreden met het argument dat het UWV onzorgvuldig handelde door de uitbetaling en dat het bedrag onjuist was gespecificeerd.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat appellante vanaf 26 maart 2004 geen recht meer had op ziekengeld en dat het teruggevorderde bedrag correct was gespecificeerd en betrekking had op de periode tot en met 4 juli 2005. Volgens artikel 33 ZW Pro moet onverschuldigd betaald ziekengeld worden teruggevorderd, tenzij dringende redenen aanwezig zijn om daarvan af te zien.
De Raad oordeelde dat een omissie van het UWV geen dringende reden vormt, omdat dringende redenen alleen kunnen bestaan uit onaanvaardbare gevolgen van terugvordering voor de verzekerde. Appellante had geen onaanvaardbare gevolgen aangetoond. Daarom werd het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De Raad zag geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 24 december 2008.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigd betaalde Ziektewet-uitkering wegens ontbreken van dringende redenen.