ECLI:NL:CRVB:2008:BG8716
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens onvoldoende medewerking aan arbeidsinschakeling
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en werd tweemaal geconfronteerd met verlaging van zijn bijstandsuitkering vanwege onvoldoende medewerking aan re-integratietrajecten. Na een eerste verlaging in december 2005 volgde een tweede verlaging in augustus 2006, waarbij rekening werd gehouden met recidive.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de tweede verlaging ongegrond. Appellant stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat hij niet verwijtbaar had gehandeld, onder meer door ziekte en medische verklaringen. De Raad stelde echter vast dat appellant zonder geldige reden niet op afspraken verscheen en dat de medische stukken geen bewijs leverden dat hij niet kon deelnemen.
De Raad oordeelde dat het College terecht de bijstand verlaagde conform de Afstemmingsverordening van de gemeente Vianen, waarbij de duur van de maatregel werd verdubbeld vanwege recidive. Er waren geen omstandigheden die een lagere verlaging of het achterwege laten daarvan rechtvaardigden. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 20% gedurende twee maanden wegens onvoldoende medewerking wordt bevestigd.