ECLI:NL:CRVB:2008:BG8453

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2872 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77 Wet WIAArt. 67 Wet WIAArt. 57 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde WIA-voorschotten zonder dringende reden tot kwijtschelding

Appellant had een WIA-uitkering aangevraagd na arbeidsongeschiktheid wegens oogklachten, maar werd geschikt bevonden voor zijn werk. Het UWV betaalde voorschotten vanaf juni 2006, maar beëindigde deze na afwijzing van de uitkering en vorderde het onverschuldigd betaalde bedrag terug.

Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering en stelde in hoger beroep dat het UWV onrechtmatig had gehandeld en dat zijn financiële situatie zwaar woog. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.

De Raad benadrukte dat alleen de rechtmatigheid van het terugvorderingsbesluit aan de orde was en dat de financiële omstandigheden van appellant geen dringende reden vormden om af te zien van terugvordering. Jurisprudentie vereist een bijzondere en uitzonderlijke situatie voor kwijtschelding, die hier niet aanwezig was.

De Raad concludeerde dat het UWV op grond van de Wet WIA verplicht is onverschuldigde betalingen terug te vorderen en dat de omvang van het terug te vorderen bedrag correct was vastgesteld. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: De terugvordering van onverschuldigd betaalde WIA-voorschotten door het UWV wordt bevestigd zonder kwijtschelding.

Uitspraak

07/2872 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 3 mei 2007, 07/112
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 december 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2008. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft op 27 februari 2006 bij het Uwv een uitkering aangevraagd ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), nadat hij op 14 juli 2004 wegens oogklachten was uitgevallen. Het Uwv heeft appellant vanaf 12 juni 2006 voorschotten betaald. Na medisch en arbeidskundig onderzoek is appellant geschikt bevonden voor zijn voorheen verrichte arbeid. Bij besluit van 28 augustus 2006 is aan appellant bericht dat hij vanaf 12 juni 2006 geen uitkering ingevolge de Wet WIA kan krijgen en tevens dat de verstrekking van voorschotten wordt beëindigd. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.
1.2. Bij besluit van 24 oktober 2006 heeft het Uwv appellant bericht dat het over de periode van 12 juni 2006 tot en met 31 augustus 2006 onverschuldigd betaalde bedrag aan voorschotten van € 1250,60 wordt teruggevorderd. Tegen dit besluit heeft appellant een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaar is bij besluit van 12 januari 2007 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 12 januari 2007 ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep keert appellant zich met tal van grieven tegen de aangevallen uitspraak. Die grieven hebben voornamelijk betrekking op verwijten die appellant het Uwv maakt in verband met een eerdere aanvraag voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet en de daarop gevolgde beweerdelijke toezegging van een arbeidskundige van het Uwv omtrent die uitkering alsmede re-integratie. Verder heeft appellant de benarde financiële situatie geschetst waarin hij, zoals hij zegt door toedoen van het Uwv, terecht is gekomen.
4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
4.1. De Raad stelt voorop dat in hoger beroep uitsluitend aan de orde is het oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van het besluit van 12 januari 2007. Dat besluit gaat niet over het merendeel van het onder 3 bedoelde door appellant aan het Uwv toegeschreven handelen of nalaten. De Raad moet dan ook voorbijgaan aan hetgeen appellant daaromtrent ook ter zitting heeft aangevoerd.
4.2. Uit de gedingstukken en hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd blijkt niet dat aan het besluit van 12 januari 2007 een gebrek kleeft dat de rechtbank had moeten brengen tot vernietiging van dat besluit. Vaststaat dat appellant, nu zijn aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wet WIA was afgewezen, geen recht had op voorschotten ingevolge die wet. Ingevolge artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA is het Uwv verplicht hetgeen op grond van die wet ten onrechte is betaald van de betrokkene terug te vorderen. Ook een uitkering die op grond van artikel 67, tweede lid, als voorschot onverschuldigd betaalbaar is gesteld, moet door het Uwv worden teruggevorderd. Tussen partijen is niet in geschil dat de omvang van hetgeen is teruggevorderd juist is vastgesteld.
4.3. Ingevolge artikel 77, vierde lid, van de Wet WIA kan het Uwv indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de financiële omstandigheden die appellant heeft aangevoerd geen dringende reden inhouden als bedoeld in die bepaling. Uit de Memorie van toelichting bij het ontwerp van deze bepaling, die inhoudelijk overeenkomt met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 57, vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering, blijkt dat de wetgever, wil er sprake zijn van dringende redenen als hier bedoeld, van oordeel is dat het moet gaan om incidentele gevallen waarin sprake is van onaanvaardbare consequenties voor de betrokkene. Wil een afwijking van de hoofdregel gerechtvaardigd zijn, dan moet er zoals blijkt uit jurisprudentie van de Raad, zie bijvoorbeeld CRvB 29 november 2007, LJN: BB9275, iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand zijn en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden dient te worden gemaakt. Dat is niet het geval ten aanzien van appellant.
4.4. Hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor veroordeling van een der partijen in de proceskosten is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 december 2008.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) E.M. de Bree.
GdJ