ECLI:NL:CRVB:2008:BG8453
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde WIA-voorschotten zonder dringende reden tot kwijtschelding
Appellant had een WIA-uitkering aangevraagd na arbeidsongeschiktheid wegens oogklachten, maar werd geschikt bevonden voor zijn werk. Het UWV betaalde voorschotten vanaf juni 2006, maar beëindigde deze na afwijzing van de uitkering en vorderde het onverschuldigd betaalde bedrag terug.
Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering en stelde in hoger beroep dat het UWV onrechtmatig had gehandeld en dat zijn financiële situatie zwaar woog. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.
De Raad benadrukte dat alleen de rechtmatigheid van het terugvorderingsbesluit aan de orde was en dat de financiële omstandigheden van appellant geen dringende reden vormden om af te zien van terugvordering. Jurisprudentie vereist een bijzondere en uitzonderlijke situatie voor kwijtschelding, die hier niet aanwezig was.
De Raad concludeerde dat het UWV op grond van de Wet WIA verplicht is onverschuldigde betalingen terug te vorderen en dat de omvang van het terug te vorderen bedrag correct was vastgesteld. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De terugvordering van onverschuldigd betaalde WIA-voorschotten door het UWV wordt bevestigd zonder kwijtschelding.