ECLI:NL:CRVB:2008:BG7388
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij aanvraag bijstand wegens onjuiste opgave woon- en leefsituatie
Verzoeker diende op 15 mei 2007 een aanvraag in voor bijstand na detentie, waarbij hij aangaf te wonen bij zijn peetmoeder. Het College stelde een onderzoek in en concludeerde dat verzoeker onjuiste informatie gaf over zijn woon- en leefsituatie, wat leidde tot afwijzing van de aanvraag op 11 juni 2007. Het bezwaar van verzoeker werd op 4 september 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker gegrond, vernietigde het besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen.
Verzoeker stelde in hoger beroep dat hij geen middelen van bestaan heeft en geconfronteerd wordt met schulden, en dat er dreiging is van strafrechtelijke vervolging wegens schending van de inlichtingenplicht. De voorzieningenrechter oordeelde dat het ontbreken van middelen en schuldenlast niet samenhangt met de afwijzing van de aanvraag in de hoofdzaak, die betrekking heeft op de periode mei tot juni 2007. Ook is de dreiging van strafrechtelijke vervolging onvoldoende voor onverwijlde spoed.
Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van onverwijlde spoed.