ECLI:NL:CRVB:2008:BG6793
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering arbeidskundige beoordeling
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om hem een WAO-uitkering toe te kennen per 23 september 2004, omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou bedragen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelt appellant dat zijn beperkingen, zowel lichamelijk als psychisch, zijn onderschat en dat hij niet in staat is de voorbeeldfuncties te vervullen. Hij bracht een expertise-rapport in van een revalidatiearts ter onderbouwing.
Het UWV handhaafde haar standpunt en verwees naar een bezwaarverzekeringsarts die oordeelde dat het rapport niet relevant was voor de datum in geding. De Raad oordeelt dat de medische beperkingen juist zijn vastgesteld en dat appellant dit niet met objectieve medische stukken heeft kunnen weerleggen. Wel oordeelt de Raad dat het UWV pas in hoger beroep een deugdelijke toelichting gaf op de arbeidskundige beoordeling, waardoor niet is voldaan aan de motiveringseisen.
De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, maar behoudt de rechtsgevolgen van het besluit. Tevens overweegt de Raad dat het feit dat appellant niet geschikt is voor WSW-arbeid niet betekent dat hij niet geschikt is voor de voorbeeldfuncties die relevant zijn voor de WAO-uitkering. Tot slot veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de arbeidskundige beoordeling, met behoud van rechtsgevolgen.