ECLI:NL:CRVB:2008:BG6793

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6673 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering arbeidskundige beoordeling

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om hem een WAO-uitkering toe te kennen per 23 september 2004, omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou bedragen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelt appellant dat zijn beperkingen, zowel lichamelijk als psychisch, zijn onderschat en dat hij niet in staat is de voorbeeldfuncties te vervullen. Hij bracht een expertise-rapport in van een revalidatiearts ter onderbouwing.

Het UWV handhaafde haar standpunt en verwees naar een bezwaarverzekeringsarts die oordeelde dat het rapport niet relevant was voor de datum in geding. De Raad oordeelt dat de medische beperkingen juist zijn vastgesteld en dat appellant dit niet met objectieve medische stukken heeft kunnen weerleggen. Wel oordeelt de Raad dat het UWV pas in hoger beroep een deugdelijke toelichting gaf op de arbeidskundige beoordeling, waardoor niet is voldaan aan de motiveringseisen.

De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, maar behoudt de rechtsgevolgen van het besluit. Tevens overweegt de Raad dat het feit dat appellant niet geschikt is voor WSW-arbeid niet betekent dat hij niet geschikt is voor de voorbeeldfuncties die relevant zijn voor de WAO-uitkering. Tot slot veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de arbeidskundige beoordeling, met behoud van rechtsgevolgen.

Uitspraak

06/6673 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 oktober 2006, 05/986 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 5 december 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L.J. van der Veen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2008. Appellant was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv was niet vertegenwoordigd.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 24 juni 2005 (bestreden besluit) heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 september 2004 waarin het Uwv geweigerd heeft aan appellant per 23 september 2004 (de datum in geding) een
WAO-uitkering toe te kennen omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedraagt.
1.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zowel door het Uwv als door de rechtbank zijn beperkingen zijn onderschat. Appellant was op de hier in geding zijnde datum dermate beperkt (zowel lichamelijk als psychisch) dat hij niet in staat is de hem voorgehouden voorbeeldfuncties te vervullen. Appellant is ontslagen uit zijn WSW-baan omdat hij niet kon voldoen aan de minimale vereisten voor het werken in de sociale werkvoorziening. Dit is in strijd met de beslissing van het Uwv om hem geschikt te achten voor arbeid in het vrije bedrijfsleven. Bij schrijven van 8 augustus 2008 heeft appellant een expertise-rapport van revalidatie-arts A. Coster van 4 augustus 2008 in geding gebracht. In dit rapport vindt appellant steun voor zijn stelling dat zijn beperkingen niet juist zijn vastgesteld en dat hem ten onrechte een WAO-uitkering is geweigerd.
3. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de beperkingen van appellant juist zijn weergegeven en dat de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. Bezwaarverzekeringsarts A. van Bruggen heeft als reactie op het rapport van Coster geschreven dat de bevindingen van Coster niet kunnen worden geëxtrapoleerd naar de datum in geding. Coster geeft immers zelf aan dat het onmogelijk is om de situatie van destijds goed in te kunnen schatten omdat appellant tussentijds veel medische, sociale en psychische problemen heeft gehad waardoor het medische plaatje waarschijnlijk fors gewijzigd is. Van Bruggen ziet dan ook geen aanleiding om van het eerdere oordeel af te wijken.
4.1. De Raad overweegt als volgt. Voor wat betreft de medische component van de schatting is de Raad van oordeel dat in hetgeen appellant naar voren heeft gebracht er geen aanleiding is te vinden om tot een ander oordeel te komen dan door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is neergelegd. De Raad overweegt hiertoe dat er dossierstudie is verricht, dat appellant lichamelijk en psychisch onderzocht is en dat er kennis is genomen van de informatie uit de behandelend sector. Appellant heeft niet met objectieve, medische stukken kunnen aantonen dat hij meer of anders beperkt is dan in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is weergegeven. De Raad verwijst naar de uitgebreide motivering van de rechtbank hieromtrent en maakt deze tot de zijne. Met betrekking tot het in hoger beroep ingediende rapport van Coster overweegt de Raad dat ook uit dat stuk niet blijkt dat de beperkingen van appellant op de datum in geding niet juist zijn weergegeven. Het onderzoek door Coster heeft bijna vier jaar na de datum in geding plaatsgevonden en uit het rapport blijkt niet dat appellant op de datum in geding meer beperkt was. De Raad onderschrijft de reactie van bezwaarverzekeringsarts Van Bruggen die gemotiveerd uiteengezet heeft dat er geen onderbouwing met medische argumenten is te geven voor de stelling van appellant dat de FML onjuist is. Dat appellant – zoals hij stelt – veel klachten heeft leidt niet tot een ander oordeel.
4.2. Met betrekking tot de arbeidskundige component van de schatting overweegt de Raad dat met het schrijven van het Uwv van 22 februari 2007, waarbij een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 20 februari 2007 aan de Raad is gezonden, het Uwv genoegzaam heeft aangetoond waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies op de in geding zijnde datum als geschikt voor appellant zijn aan te merken. Uit de rapportage blijkt dat de belasting van de functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. Echter, nu het Uwv eerst in hoger beroep een deugdelijke toelichting heeft gegeven, is daardoor niet voldaan aan de door de Raad geformuleerde eisen ten aanzien van de motivering van besluiten. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit worden dan ook vernietigd. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven evenwel in stand.
4.3. Voorts overweegt de Raad dat het gegeven dat appellant niet langer geschikt is geacht voor deelname aan WSW-arbeid niet wil zeggen dat hij de voorbeeldfuncties niet kan verrichten en daarom in aanmerking moet komen voor een WAO-uitkering. De criteria om in aanmerking te komen voor een WAO-uitkering zijn immers heel andere dan voor WSW-arbeid.
5. De Raad acht termen aanwezig om, op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- in eerste aanleg en € 644,- in hoger beroep. De kosten van het rapport van revalidatiearts Coster bedragen € 450,-. De reiskosten worden begroot op € 77,-. In totaal bedragen de te vergoeden kosten derhalve
€ 1.815,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigd dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstiuut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1.815,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 37,- in beroep en € 105,-, in hoger beroep, totaal € 142,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 december 2008.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.
JL