ECLI:NL:CRVB:2008:BG6777
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- G.J.H. Doornewaard
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging UWV-besluit inzake WAO-uitkering hand- en polsklachten
Appellante was sinds november 1996 arbeidsongeschikt met een WAO-uitkering wegens hand- en polsklachten. Het UWV trok deze uitkering per 22 september 2005 in, met als reden dat haar belastbaarheid niet wezenlijk was gewijzigd. Appellante meldde zich in januari 2006 opnieuw ziek en ontving weer een WAO-uitkering.
De rechtbank Rotterdam had het beroep van appellante tegen het intrekkingsbesluit gegrond verklaard, maar het UWV ging in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV onvoldoende had onderbouwd waarom de belastbaarheid in de vier maanden tussen intrekking en herbeoordeling wezenlijk anders zou zijn geweest dan daarvoor en daarna.
De Raad stelde vast dat de medische rapportages en informatie van behandelend specialisten geen duidelijk verschil in medische situatie op de datum van intrekking aantoonden. Ook was de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige tijdens de zitting te laat en in strijd met een goede procesorde gegeven, waardoor de Raad en wederpartij zich niet adequaat konden voorbereiden.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, met inachtneming van de overwegingen. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt verplicht een nieuw besluit op bezwaar te nemen.