ECLI:NL:CRVB:2008:BG6542
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAZ-uitkering wegens inkomsten uit eigen bedrijf en toepassing anticumulatie
Appellante, een zelfstandige kapster, ontving vanaf eind 1999 een WAZ-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In de jaren 2000 tot en met 2002 was zij gedeeltelijk werkzaam in haar eigen bedrijf. Het UWV besloot daarom haar WAZ-uitkering vanaf respectievelijk 2000, 2001 en 2002 niet langer uit te betalen vanwege haar inkomsten uit arbeid, gelijkgesteld aan inkomsten uit eigen bedrijf.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond, waarbij zij zich baseerde op verklaringen van appellante, fiscale rapporten en verlies- en winstrekeningen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de inkomsten niet voortvloeiden uit haar arbeid en dat het rechtszekerheidsbeginsel was geschonden door de terugwerkende kracht van de intrekking.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht is uitgegaan van de verklaringen en financiële gegevens en dat de inkomsten uit onderneming als inkomsten uit arbeid mogen worden beschouwd. Tevens is het rechtszekerheidsbeginsel niet geschonden omdat appellante redelijkerwijs had moeten begrijpen dat haar inkomsten uit arbeid invloed hadden op haar uitkering. De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAZ-uitkering wegens inkomsten uit eigen bedrijf en wijst het hoger beroep af.