ECLI:NL:CRVB:2008:BG6523
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering na onvoldoende verzekeringsgeneeskundig onderzoek
Betrokkene, werkzaam als schoonmaakster, kreeg in 1999 een WAO-uitkering toegekend wegens rugklachten. In 2005 werd zij onderzocht door een verzekeringsarts in opleiding, die beperkingen vaststelde en het verlies aan verdiencapaciteit op 0% stelde. Op basis hiervan trok het UWV de WAO-uitkering per 2006 in. Betrokkene maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat het medisch onderzoek niet door een geregistreerde verzekeringsarts was verricht en het gebrek in bezwaar niet was hersteld, aangezien de bezwaarverzekeringsarts geen eigen lichamelijk onderzoek had gedaan.
In hoger beroep stelde het UWV dat een verzekeringsarts in opleiding volwaardig onderzoek kan verrichten. De Raad oordeelde dat registratie borg staat voor kwaliteit en dat het gebrek in bezwaar hersteld moet worden door een aanvullend onderzoek. Dit was niet gebeurd, mede omdat betrokkene had aangegeven een bezwaarverzekeringsarts bij de hoorzitting te willen en zij afzag van de hoorzitting vanwege de afwezigheid daarvan. De Raad bevestigde daarom de vernietiging van het besluit.
De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van proceskosten aan betrokkene en legde griffierecht op. Het hoger beroep van het UWV werd afgewezen, waarmee de uitspraak van de rechtbank in stand bleef.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt afgewezen en het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd.