ECLI:NL:CRVB:2008:BG5759

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-126 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 9 SchattingsbesluitWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellant, wonende in België, had sinds 1987 een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid die in 1996 werd herzien naar een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. Na een verkeersongeval met whiplash-letsel werd de uitkering ongewijzigd voortgezet. In 2004 gaf appellant aan dat zijn arbeidsongeschiktheid was toegenomen en meldde hij nieuwe klachten zoals jicht.

Het UWV voerde een medisch onderzoek uit door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige en besloot in januari 2005 de uitkering ongewijzigd voort te zetten, wat bij bezwaar in mei 2005 werd gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de door appellant genoemde klachten niet relevant waren voor de beoordeling.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek summier was en dat geen lichamelijk onderzoek had plaatsgevonden. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het onderzoek uitgebreid was, inclusief lichamelijk onderzoek van hart, longen, wervelkolom en extremiteiten. Tevens werd bevestigd dat de beoordeling van arbeidsmogelijkheden op basis van functies in Nederland rechtmatig was, ook al kwamen sommige functies niet in België voor.

De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De WAO-uitkering blijft ongewijzigd voortgezet.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de ongewijzigde voortzetting van de WAO-uitkering na een zorgvuldig medisch onderzoek.

Uitspraak

07/126 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats], België (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 december 2006, 05/2948 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 november 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Grinsven.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft op 29 mei 1986 zijn werkzaamheden als rayoninspecteur bij een verzekeringsmaatschappij wegens maagklachten en psychische klachten gestaakt. Aan hem is met ingang van 23 juni 1987 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, welke uitkering per 29 januari 1996 is herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Nadat appellant bij een verkeersongeval whiplash-letsel had opgelopen, is de uitkering ongewijzigd voortgezet.
1.2. In juni 2004 heeft appellant aangegeven dat zijn arbeidsongeschiktheid is toegenomen. Hij heeft onder andere vermeld sedert korte tijd te lijden aan jicht. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv appellant bij besluit van 17 januari 2005 medegedeeld dat zijn uitkering ongewijzigd wordt voortgezet. Dit besluit is door het Uwv bij het bestreden besluit van 20 mei 2005 na bezwaar gehandhaafd.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft - kort gezegd - overwogen dat het medisch onderzoek door verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig is geweest en dat door appellant geen medische gegevens zijn aangedragen die aanleiding geven tot twijfel aan de conclusies van deze artsen. De rechtbank heeft er daarbij op gewezen dat de door appellant genoemde darmklachten en psoriasis niet in de beoordeling kunnen worden betrokken, nu deze klachten ten tijde in geding geen rol speelden. Ten aanzien van appellants stelling dat sommige van de hem voorgehouden functies niet in België voorkomen, heeft de rechtbank overwogen dat op grond van artikel 9 van Pro het Schattingsbesluit de beoordeling plaatsvindt op basis van ten minste drie verschillende in Nederland uitgeoefende functies.
3.1. De Raad kan zich geheel vinden in hetgeen de rechtbank heeft overwogen.
3.2. In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat de medische keuring slechts summier was en dat geen lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. De Raad stelt evenwel vast dat blijkens het rapport van de verzekeringsarts
L. de Vries van 23 augustus 2004 deze bijna een uur met appellant heeft gesproken en bij appellant onderzoek heeft gedaan aan hart, longen, de cervicale en thoraco-lumbale verwelkolom en aan de onderste extremiteiten. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat sprake is van een voldoende zorgvuldig onderzoek. Deze grond kan derhalve niet slagen.
3.3. Gezien het vorenstaande kan het hoger beroep niet slagen en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 november 2008.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) W. Altenaar.
OA