ECLI:NL:CRVB:2008:BG5675
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beslagvrije voet en proceskostenvergoeding aan appellante
Appellante ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet en een bovenwettelijke uitkering. Op verzoek van een schuldeiser werd op deze uitkeringen beslag gelegd. Het UWV stelde appellante daarvan in kennis bij een brief van 8 februari 2006, waarin werd meegedeeld dat zij 90% van de nettobetaling zou ontvangen als beslagvrije voet. Appellante maakte bezwaar tegen de beslaglegging en de berekening van de toeslag, waarbij zij het bezwaar tegen de toeslag later introk maar het bezwaar tegen de beslagvrije voet handhaafde.
De rechtbank oordeelde dat de brief van 8 februari 2006 geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht was en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. De Centrale Raad van Beroep oordeelt anders en kwalificeert de brief als een besluit, waardoor bezwaar en beroep openstaan. Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat het UWV nagelaten heeft te onderzoeken of de termijnoverschrijding verschoonbaar was.
Hoewel appellante geen verschoonbare reden gaf voor het late bezwaar, blijven de rechtsgevolgen van het besluit in stand. De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit wordt vernietigd, en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellante.