ECLI:NL:CRVB:2008:BG5285
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving een besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) waarbij haar alleenstaande AOW-pensioen gedeeltelijk werd geschorst en verlaagd omdat zij een gezamenlijke huishouding voerde met betrokkene. De Svb herzag later het pensioen met terugwerkende kracht en vorderde te veel betaalde bedragen terug. Appellante diende geen tijdig bezwaar in tegen deze besluiten, waardoor deze rechtens onaantastbaar werden.
Pas later, in oktober 2006, werd alsnog bezwaar aangetekend tegen het oorspronkelijke besluit van november 2004. Appellante stelde dat zij in de veronderstelling verkeerde dat haar gemachtigde bezwaar had ingediend en dat er sprake was van veelvuldig contact met een medewerker van de Svb die haar bezwaren kende. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond wegens overschrijding van de termijn.
In hoger beroep herhaalde appellante deze gronden en voerde aan dat zij mocht vertrouwen op behandeling van haar bezwaar en dat redelijkheid en billijkheid een ontvankelijkheid rechtvaardigden. De Raad oordeelde dat er geen tijdig bezwaar was ingediend, dat de gevolgen van het handelen van de gemachtigde voor rekening van appellante komen, en dat er geen sprake was van een toezegging van inhoudelijke behandeling door de Svb. Een beroep op redelijkheid en billijkheid kon niet slagen omdat de Awb van openbare orde is.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de herziening van het AOW-pensioen is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn zonder verschoonbare reden.