ECLI:NL:CRVB:2008:BG4028
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing langdurigheidstoeslag bij eerdere bijstandsverlaging
Appellant en zijn echtgenote ontvangen sinds 2001 bijstand. In 2004 legde het College een bijstandsverlaging van 10% voor één maand op vanwege onvoldoende medewerking aan een reïntegratieplan. In 2006 werd de aanvraag van appellant voor een langdurigheidstoeslag afgewezen, omdat hij niet voldeed aan de voorwaarde dat in de referteperiode geen verlaging van 5% of meer mocht zijn opgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelt appellant zich tegen deze uitspraak. De Raad toetst het gemeentelijk beleid dat een langdurigheidstoeslag wordt geweigerd indien in de referteperiode een verlaging van 5% of meer is opgelegd wegens niet-naleving van arbeidsinschakelingsverplichtingen.
De Raad oordeelt dat dit beleid niet in strijd is met algemeen verbindende voorschriften en binnen redelijke beleidsruimte valt. De Raad bevestigt dat de verlaging van 10% in 2004 terecht is opgelegd en dat het College de afwijzing van de toeslag terecht handhaafde. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die afwijking van het beleid rechtvaardigen.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er worden geen proceskosten opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor langdurigheidstoeslag wordt bevestigd vanwege een eerdere bijstandsverlaging van 10%.