ECLI:NL:CRVB:2008:BG4013
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van maatregel verlaging bijstand wegens onvoldoende medewerking arbeidsinschakeling
Appellant en zijn echtgenote ontvangen sinds 2001 bijstand. Het College legde in 2004 een maatregel op tot verlaging van de bijstand met 10% wegens onvoldoende medewerking aan een onderzoek naar arbeidsinschakeling.
De rechtbank verklaarde in 2006 het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit wegens een onjuiste wettelijke grondslag. Het College nam een nieuw besluit in 2006 op basis van de WWB en de Afstemmings- en fraudeverordening 2005, waarbij de maatregel werd gehandhaafd. De rechtbank verklaarde dit beroep ongegrond, maar oordeelde anders over het toepasselijke wettelijk kader dan in haar eerdere uitspraak.
De Raad stelt vast dat de rechtbank ten onrechte niet gebonden was aan haar eerdere uitspraak en vernietigt de aangevallen uitspraak. De Raad oordeelt dat appellant onvoldoende meewerkte aan het opstellen van een reïntegratieplan, mede gelet op medische adviezen die hem geschikt achten voor arbeid met beperkingen.
De Raad bevestigt dat het College de bijstand mocht verlagen met toepassing van artikel 18, tweede lid, WWB en de AFV 2005, zonder de maatregel te verzwaren. Er zijn geen dringende redenen voor matiging. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het College wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de verlaging van de bijstand wordt bevestigd.