ECLI:NL:CRVB:2008:BG3776
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens niet-melden vermogen boven vermogensgrens
Appellant ontving sinds 1985 een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Tijdens een onderzoek door de sociale recherche van de gemeente Cranendonck bleek dat appellant beschikte over meerdere vervoermiddelen, waaronder twee Mercedes-auto's en een scooter, die niet bij het College waren gemeld.
Het College besloot daarop de bijstand met ingang van 1 januari 2006 in te trekken en de bijstand over de periode van 24 juni 2005 tot 1 januari 2006 terug te vorderen wegens het niet melden van vermogen boven de vermogensgrens. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en dit werd door appellant in hoger beroep aangevochten, met name met het argument dat een schuld aan zijn moeder het vermogen zou verminderen.
De Raad oordeelde dat appellant het bestaan van deze schuld niet aannemelijk had gemaakt, ondanks verklaringen en bankafschriften. Ook het feit dat appellant in een strafrechtelijke procedure was vrijgesproken, leidde niet tot een ander oordeel, aangezien bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedures verschillende rechtsvragen en procesregels kennen.
De Raad concludeerde dat appellant in strijd met de inlichtingenverplichting had gehandeld en het College terecht de bijstand had ingetrokken en teruggevorderd. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstand worden bevestigd en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.