ECLI:NL:CRVB:2008:BG3695
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ziekengeld wegens geschiktheid voor WAO-functies per 1 januari 2006
Appellant ontving aanvankelijk een WAO-uitkering die per 24 juni 2003 werd ingetrokken wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid. Na een ziekenhuisopname en operatie aan de linkerschouder meldde appellant zich ziek bij het UWV en ontving ziekengeld. De verzekeringsarts concludeerde dat appellant per 1 januari 2006 geschikt was voor de WAO-functies die eerder waren geselecteerd, waarna het ziekengeld werd beëindigd.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij op fysieke en psychische gronden niet in staat was om bedrijfsmatig werk te verrichten en overhandigde aanvullende medische stukken. Het UWV handhaafde het besluit en leverde een nadere rapportage van de bezwaarverzekeringsarts.
De Raad overwoog dat onder “zijn arbeid” in de Ziektewet de functies vallen die bij de WAO-beoordeling zijn geselecteerd, waaronder stamper/zetter, sieradenmaker en printmonteur. De medische beoordeling toonde aan dat appellant geschikt was voor deze functies en dat er geen aanwijzingen waren voor ongeschiktheid. Rapporten van behandelaars en psychologen konden dit niet overtuigend tegenspreken. Ook latere beslissingen over bijstandsuitkering en sociale werkvoorziening betroffen andere tijdstippen en boden geen aanleiding tot herziening.
De Raad bevestigde daarom het besluit tot beëindiging van het ziekengeld per 1 januari 2006 en verwierp het hoger beroep van appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van het ziekengeld per 1 januari 2006 wegens geschiktheid voor WAO-functies.