ECLI:NL:CRVB:2008:BG1888

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 oktober 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4251 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 WWBArt. 44 WWBArt. 34 lid 3 WWB
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ingangsdatum en terugwerkende kracht bijstandsuitkering op grond van WWB

Appellant ontving bijstand vanaf september 2001, maar deze werd opgeschort per november 2003. Het College herzag de bijstand over een eerdere periode en vorderde terugbetaling. Appellant diende pas in november 2005 een nieuwe aanvraag in. Het College kende bijstand toe vanaf die datum, zonder terugwerkende kracht, en sloot een schuld buiten de vermogensvaststelling omdat geen concrete terugbetalingsverplichting was aangetoond.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Raad dit oordeel. De Raad benadrukt dat bijstand in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt toegekend, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. De eerdere opschorting en beëindiging van bijstand vormen geen bijzondere omstandigheden, mede omdat appellant geen rechtsmiddelen tegen die besluiten heeft aangewend.

Verder oordeelt de Raad dat de schuld aan een derde niet in aanmerking genomen mocht worden bij vermogensvaststelling, omdat het bestaan van een concrete terugbetalingsverplichting niet is vastgesteld. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd zonder terugwerkende kracht bij toekenning van bijstand.

Uitspraak

07/4251 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 juni 2007, 06/3169 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hellevoetsluis (hierna: College)
Datum uitspraak: 28 oktober 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.A.R. Dijkers, advocaat te Hellevoetsluis, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2008. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. van Es, werkzaam bij de gemeente Hellevoetsluis.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden.
1.1. Appellant ontving bijstand vanaf 21 september 2001.
1.2. Bij besluit van 20 november 2003 is het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 november 2003 opgeschort.
1.3. Bij besluit van 20 december 2004 heeft het College de bijstand van appellant over de periode van 27 november 2002 tot en met 31 oktober 2003 herzien en de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 3.519,18 van appellant teruggevorderd.
1.4. Bij besluit van 25 januari 2005 is het recht op bijstand tot en met 1 november 2003 vastgesteld en zijn de resterende vorderingen over en weer berekend.
1.5. Tegen de besluiten van 20 november 2003, van 20 december 2004 en van 25 januari 2005 heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
1.6. Op 29 november 2005 heeft appellant een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend.
1.7. Bij besluit van 11 januari 2006 heeft het College appellant met ingang van 29 november 2005 bijstand ingevolge de WWB toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Tevens is het vermogen van appellant vastgesteld op € 1.640,24 negatief en het op grond van artikel 34, derde lid, van de WWB vrij te laten vermogen op € 5.105,--.
1.8. Bij besluit van 20 juni 2006 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 januari 2006, voor zover in dit geding van belang, ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College overwogen dat geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken op basis waarvan bijstand kan worden verstrekt met terugwerkende kracht. Tevens heeft het College geen grond gezien de schuld van appellant aan [B.] (hierna: [B.]) bij de vaststelling van het vermogen te betrekken.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 juni 2006 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de WWB stelt het college het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag vast. In artikel 44, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding bij de CWI heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
4.2. Inzake de ingangsdatum van de bijstand spitst het geschil zich toe op de vraag of het College in de door appellant aangevoerde gronden aanleiding had moeten vinden hem met ingang van een eerdere datum dan 29 november 2005 bijstand toe te kennen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat die vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Daarbij ziet de Raad met name in de omstandigheid dat appellant als gevolg van opschorting respectievelijk beëindiging van de bijstand vanaf 1 november 2003 geen uitkering heeft gehad, niet een bijzondere omstandigheid die tot toekenning van bijstand met terugwerkende kracht dient te leiden. Deze omstandigheid vloeit immers voort uit de besluiten van het College van 20 november 2003 respectievelijk 25 januari 2005 waartegen appellant geen rechtsmiddelen heeft aangewend.
4.3. Voorts onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat het College bij de vermogensvaststelling terecht de gestelde schuld van appellant aan [B.] (€ 7.800,--) buiten beschouwing heeft gelaten. Naar vaste rechtspraak kunnen schulden slechts in aanmerking worden genomen indien het feitelijk bestaan daarvan in voldoende mate aannemelijk is gemaakt en tevens komt vast te staan dat aan de schuld ook daadwerkelijk een terugbetalingsverplichting is verbonden. Uit de gedingstukken is de Raad niet gebleken dat ten tijde hier van belang een daadwerkelijke en concrete terugbetalingsverplichting tot periodieke aflossing van de schuld was overeengekomen. Daartoe acht de Raad van doorslaggevende betekenis dat blijkens het aanvraagformulier appellant de schuld aan [B.] zou afbetalen als er geld was. Ook is niet gebleken dat appellant daadwerkelijk rente heeft betaald, terwijl de door appellant overgelegde betalingsbewijzen van ver na de hier in geding zijnde datum zijn.
4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4.5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2008.
(get.) C. van Viegen.
(get.) A. Badermann.
IJ