ECLI:NL:CRVB:2008:BG1803
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- R. Kooper
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroep door belanghebbende in bijstandsintrekking
Appellante en haar toenmalige echtgenoot ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Uit een controleonderzoek bleek dat de echtgenoot een bankrekening met een aanzienlijk saldo had verzwegen. Naar aanleiding hiervan trok het College het recht op bijstand met terugwerkende kracht in. Zowel appellante als haar echtgenoot maakten bezwaar, dat ongegrond werd verklaard.
De echtgenoot stelde beroep in bij de rechtbank, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard. Appellante stelde vervolgens hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat het beroep van de echtgenoot niet mede namens appellante was ingesteld, en dat appellante zelf geen beroep had ingesteld tegen het besluit tot intrekking.
Op grond van artikel 6:13 Awb Pro, in verbinding met artikel 6:24 Awb Pro, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar of beroep heeft gemaakt. De Raad concludeerde dat appellante dit verwijt treft en verklaarde haar hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een beroep tegen het besluit tot intrekking van bijstand.