ECLI:NL:CRVB:2008:BF8137

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 oktober 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-7038 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:4 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbArt. 10:3 AwbArt. 7:1 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens ontbreken gezagsbereik minister

Appellant verzocht om benoeming tot gerechtsauditeur bij de Centrale Raad van Beroep, maar kreeg op 21 mei 2007 bericht dat geen voordracht zou worden gedaan. Het bezwaar tegen dit besluit werd door de directeur Rechtsbestel namens de minister niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief geen besluit inhield.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en betoogde dat het besluit onbevoegd was genomen en dat de rechtbank ten onrechte artikel 8:72 Awb Pro had toegepast.

De Raad stelde vast dat het besluit in strijd met artikel 10:3 Awb Pro was genomen door een ambtenaar die niet bevoegd was, waardoor het besluit terecht vernietigd werd. De Raad bevestigde dat appellant geen beroep kon instellen omdat hij niet binnen het gezagsbereik van de minister werkzaam is, en dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard.

De Raad verwierp het betoog dat artikel 8:4 Awb Pro in strijd zou zijn met verdragsrechtelijke non-discriminatiebepalingen en bevestigde de aangevallen uitspraak met enige verbetering van gronden. Vergoeding van proceskosten werd niet toegekend.

Uitkomst: Het bezwaar van appellant is terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat hij niet binnen het gezagsbereik van de minister werkzaam is.

Uitspraak

07/7038 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 november 2007, 07/6304 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Justitie (hierna: minister)
Datum uitspraak: 6 oktober 2008
I. PROCESVERLOOP
In een reactie op een daartoe strekkend verzoek heeft de directeur Rechtsbestel appellant bij brief van 21 mei 2007 namens de minister meegedeeld dat aan Hare Majesteit de Koningin geen voordracht zal worden gedaan om hem te benoemen tot gerechtsauditeur bij de Centrale Raad van Beroep.
Bij het bestreden besluit van 16 augustus 2007 heeft de directeur Rechtsbestel het door appellant daartegen gemaakte bezwaar namens de minister niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de brief van 21 mei 2007 geen besluit inhoudt.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechts-gevolgen van dat vernietigde besluit in stand blijven.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2008, waar appellant in persoon is verschenen. De minister is, zoals eerder aangekondigd, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant betoogt in hoger beroep dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit van 16 augustus 2007 onbevoegd is genomen. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aldus appellant. Volgens appellant volgt uit het in de Awb verankerde stelsel van rechtsbescherming dat slechts bij een bevoegd genomen besluit kan worden beslist op een bezwaarschrift.
2. Vaststaat dat het bestreden besluit in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Awb namens de minister in mandaat is genomen door de ambtenaar die ook het primaire besluit heeft genomen. Hieruit volgt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht, zij het op andere gronden, heeft vernietigd.
2.1. De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat gelet op artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb, geen beroep kan worden ingesteld tegen het bestreden besluit nu appellant niet werkzaam is binnen het gezagsbereik van de minister. Derhalve kon, gelet op artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, geen bezwaar worden gemaakt tegen het besluit van 21 mei 2007. De rechtbank heeft mitsdien terecht geconcludeerd dat het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk is.
2.2. Voor zover appellant betoogt dat artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb in strijd is met verdragsrechtelijke non-discriminatiebepalingen en daarmee onverbindend is, volstaat de Raad met verwijzing naar zijn uitspraak van heden op het hoger beroep van appellant in de zaak met nummer 07/6033 AW, waarin de Raad dat betoog uitdrukkelijk heeft verworpen.
2.3. Nu op het door appellant gemaakte bezwaar geen ander besluit mogelijk was dan niet-ontvankelijkverklaring ervan, kan niet worden ingezien dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand heeft kunnen laten. Het betoog van appellant dat hij belang heeft bij een bevoegdelijk genomen besluit op bezwaar omdat de minister na kennisneming van het bezwaar mogelijk tot het doen van een voordracht zou willen overgaan, ziet eraan voorbij dat de hiervoor in 2.1 genoemde bepalingen geen ruimte bieden voor een besluit op bezwaar van die strekking.
3. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, met enige verbetering van gronden, moet worden bevestigd.
4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.A.C. Slump als voorzitter en H.G. Lubberdink en A.W.M. Bijloos als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2008.
(get.) D.A.C. Slump.
(get.) P.W.J. Hospel.
HD
26.09