ECLI:NL:CRVB:2008:BF6723
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering
Appellante, een voormalige inpakster met huidklachten en artrose, kreeg aanvankelijk een WAO-uitkering toegekend. Het UWV trok deze uitkering in na een herbeoordeling waarbij werd geconcludeerd dat zij geen medische beperkingen ondervond. In bezwaar werd dit besluit deels herzien en een lagere mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat de besluitvorming onvoldoende zorgvuldig was en dat informatie uit de behandelende sector niet adequaat was meegenomen. De Raad oordeelde dat het UWV een zorgvuldig onderzoek had verricht en dat de medische en arbeidskundige beoordelingen voldoende waren, maar dat de motivering van de geschiktheid van functies pas in hoger beroep volledig was gegeven.
Daarom vernietigde de Raad de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.