ECLI:NL:CRVB:2008:BF4774
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking bijstand wegens onduidelijke waardebepaling woning in Turkije
Appellant en zijn echtgenote ontvingen vanaf 1999 bijstand ter aanvulling op hun pensioen. Na herhaalde niet-nakoming van oproepen werd de bijstand in 2005 ingetrokken. Bij een nieuwe aanvraag in september 2005 kwam aan het licht dat appellant sinds 1972 eigenaar was van een woning in Turkije. Omdat appellant geen bewijsstukken over eigendom en waarde aanleverde, stelde het College de aanvraag buiten behandeling en trok later de eerder verleende bijstand in wegens overschrijding van de vermogensgrens.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat de verklaringen omtrent de waarde van de woning onvoldoende zijn om vast te stellen of het vermogen de vrij te laten grens overschrijdt. De waarde van de woning kon niet betrouwbaar worden bepaald, waardoor het besluit van het College niet deugdelijk gemotiveerd is en vernietigd moet worden.
Toch blijven de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand omdat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door het bezit van de woning niet te melden. Hierdoor kan de waarde niet worden vastgesteld en was het College bevoegd de bijstand in te trekken. De Raad veroordeelt het College tot vergoeding van de proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing van de woningwaarde, maar de rechtsgevolgen blijven in stand vanwege schending van de inlichtingenplicht.