ECLI:NL:CRVB:2008:BF4589
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- J. Riphagen
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging aanvulling op WAZ-uitkering en niet-ontvankelijkheid bezwaar inkomsten
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om de aanvulling (het zogenaamde kopje) op zijn WAZ-uitkering per 1 juni 2004 te beëindigen en tegen het besluit dat zijn inkomsten over 2004 niet leiden tot een wijziging van zijn uitkering. De rechtbank verklaarde beide beroepen ongegrond en het bezwaar tegen de niet-wijziging niet-ontvankelijk.
In hoger beroep stelde appellant dat de grondslag van zijn WAZ-uitkering onjuist was vastgesteld en dat het UWV handelde in strijd met diverse verdragsbepalingen, waaronder het EVRM en het IVBPR, en dat er sprake was van rechtsongelijkheid met WAJONG-uitkeringsgerechtigden.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat de vaststelling van de grondslag terecht was vastgesteld op een bedrag lager dan 70% van het minimumloon, waardoor het kopje terecht was ingetrokken. Ook was appellant geen belanghebbende bij het bezwaar tegen de niet-wijziging van de uitkering wegens inkomsten. De Raad verwierp de verdragsrechtelijke bezwaren en het beroep op het gelijkheidsbeginsel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de aangevallen uitspraak en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de aanvulling op de WAZ-uitkering en verklaart het bezwaar tegen de niet-wijziging van de uitkering niet-ontvankelijk.