ECLI:NL:CRVB:2008:BF4062
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Passendheid functies productiemedewerker industrie en wasserijmedewerker bij gedeeltelijke amputatie linkerhand
Appellant is arbeidsongeschikt geraakt door een gedeeltelijke amputatie van zijn linkerhand na een bedrijfsongeval in 1996. Aanvankelijk werd zijn WAO-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na herbeoordelingen en medische onderzoeken, waaronder door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, werd de uitkering ingetrokken met een vaststelling van minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en voerde aan dat de voor hem geselecteerde functies, waaronder productiemedewerker industrie en wasserijmedewerker, niet passend waren vanwege de beperkingen van zijn linkerhand, met name het verlies aan productieniveau en -snelheid. Diverse arbeidsdeskundigen rapporteerden dat deze functies tweehandig uitgevoerd moeten worden en dat appellant deze niet zonder productieverlies kan vervullen.
De Raad stelde vast dat het UWV het eerdere besluit van 29 juni 2004 onrechtmatig had gehandhaafd en vernietigde dit besluit en de uitspraak van de rechtbank. De Raad oordeelde dat het oordeel van de deskundige Hulsen, dat appellant de genoemde functies niet passend kan vervullen zonder verlies aan productiesnelheid, voldoende gemotiveerd en niet weerlegd was. Het beroep van appellant werd gegrond verklaard en het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant in eerste aanleg en hoger beroep, ter hoogte van €1.610,-- en het betaalde griffierecht van €139,--. De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 18 september 2008.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen waarbij de functies productiemedewerker industrie en wasserijmedewerker niet passend zijn.