ECLI:NL:CRVB:2008:BF2240

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02-4466 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999EG-verordening 1408/71Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit uitsluiting vrijwillige AOW-verzekering na wijziging verzekeringsplicht echtgenoot

Appellante, gehuwd met een in Nederland werkzame echtgenoot die sinds 1967 verzekerd was en thans in Spanje woont met een WAO-uitkering, was sinds 1989 vrijwillig verzekerd voor de AOW en ANW. Door een wijziging in het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden (KB 746) werd haar echtgenoot vanaf 1 januari 2000 niet langer verplicht verzekerd, waardoor appellante werd uitgesloten van vrijwillige verzekering vanaf die datum.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze uitsluiting ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte aannam dat de verplichte verzekering van haar echtgenoot was geëindigd en dat volgens EG-verordening 1408/71 en jurisprudentie van het Hof van Justitie de vrijwillige verzekering voortgezet had moeten worden.

Naar aanleiding van de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Van Pommeren-Bourgondiën (C-227/03) heeft de Sociale verzekeringsbank haar standpunt herzien en appellante de mogelijkheid geboden zich alsnog vrijwillig te verzekeren vanaf 1 januari 2000 voor een periode van zes jaar.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep slaagt, vernietigt het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak en beveelt de Sociale verzekeringsbank een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de Raad de Sociale verzekeringsbank tot vergoeding van de proceskosten van appellante.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de Sociale verzekeringsbank wordt verplicht een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

02/4466 AOW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (Spanje) (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2002, 01/1933 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 18 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift en voorts diverse stukken in het geding gebracht.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege kan blijven, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Appellante is gehuwd met [naam echtgenoot] (hierna: de echtgenoot) die sedert 1967 krachtens arbeidsovereenkomst in Nederland werkzaamheden heeft verricht. Thans is de echtgenoot in Spanje woonachtig; hij ontvangt een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellante is sedert 1989 ingevolge het EG-recht vrijwillig verzekerd geweest voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (ANW).
Als gevolg van een wijziging van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1998, 746, hierna: KB 746) was de echtgenoot vanaf 1 januari 2000 niet langer verplicht verzekerd ingevolge de AOW en de ANW en werd appellante met ingang van 1 januari 2000 uitgesloten van het recht op vrijwillige verzekering voor deze wetten. Dit is haar medegedeeld bij beschikking van 8 september 2000, welke is gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 11 april 2001 (hierna: het bestreden besluit).
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante gesteld dat de rechtbank ten onrechte ervan uitgaat dat als vaststaand kan worden aangenomen dat aan de verplichte verzekering AOW/ANW van de echtgenoot met ingang van 1 januari 2000 een einde is gekomen. Voorts is appellante van mening dat de regeling in bijlage VI van de EG-verordening 1408/71, onderdeel Q (voorheen J) sub 2 onder f wel ruimte biedt voor het in stand houden van de vrijwillige verzekering en dat de rechtbank de weigering om de vrijwillige verzekering voort te zetten ten onrechte geoorloofd acht. Zij stelt zich op het standpunt dat de koppeling van de mogelijkheid om vrijwillig verzekerd te zijn aan de verplichte verzekering van haar echtgenoot niet mogelijk is, nu de AOW als uitgangspunt hanteert dat elk der partners zich individueel verzekert.
In de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 7 juli 2005, Van Pommeren-Bourgondiën, C-227/03 (LJN: AU1322) heeft de Svb aanleiding gezien zijn standpunt te herzien en is aan appellante de gelegenheid geboden zich vanaf 1 januari 2000 vrijwillig te verzekeren voor de duur van 6 jaar.
De Raad concludeert dat het hoger beroep slaagt en dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komen. De Svb zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
De Raad ziet gelet op het voorgaande aanleiding de Svb te veroordelen tot betaling van de kosten die appellante in verband met het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De Raad begroot deze kosten op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de proceskosten van appellante van in totaal € 966,--, te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 109,23 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 september 2008.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) W. Altenaar.
IJ