ECLI:NL:CRVB:2008:BF2174
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering na medische en arbeidskundige beoordeling
Appellant maakte bezwaar tegen de herziening van zijn WAO-uitkering door het UWV, waarbij zijn arbeidsongeschiktheid per 21 augustus 2005 werd teruggebracht van 80% of meer naar 15-25%, en later naar 25-35% per 11 december 2006.
De rechtbank had het eerdere besluit op bezwaar vernietigd, maar het UWV nam een nieuw besluit waarbij de uitkering deels werd hersteld en vervolgens opnieuw verlaagd. Appellant voerde aan dat zijn medische beperkingen, met name aan zijn rechterarm en schouder, onvoldoende waren meegewogen en dat zijn beperkingen qua fijne motoriek en neurologische aandoeningen niet juist waren weergegeven.
De Raad beoordeelde de medische rapporten, waaronder die van de primaire verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts, en concludeerde dat de beperkingen niet zwaarder waren dan vastgesteld in de functionele mogelijkhedenlijst (FML). De Raad vond de motivering van het UWV voldoende en oordeelde dat appellant in staat werd geacht de functies te vervullen waarop de beoordeling was gebaseerd.
Het beroep van appellant tegen het nieuwe besluit op bezwaar faalde, waarna de Raad het UWV veroordeelde tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De Raad bevestigde daarmee de herziening van de WAO-uitkering naar 25-35% per 11 december 2006.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de herziening van de WAO-uitkering naar 25-35% per 11 december 2006 wordt afgewezen.