ECLI:NL:CRVB:2008:BF1171
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- H.C.P. Venema
- O.J.D.M.L. Jansen
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding onvoldoende gemotiveerd
Appellant ontving een nabestaandenuitkering die door de Sociale verzekeringsbank (Svb) werd beëindigd op grond van het vermoeden dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met mevrouw [naam mevrouw]. Dit leidde tot terugvordering van uitkeringen en het opleggen van een boete.
De rechtbank had het beroep van appellant gegrond verklaard en de Svb opgedragen nader onderzoek te doen naar de ingangsdatum van de gezamenlijke huishouding. De Svb nam daarop nieuwe besluiten, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze besluiten niet berustten op een zorgvuldig en deugdelijk onderzoek.
De Raad stelde vast dat het bewijs voor het voeren van een gezamenlijke huishouding onvoldoende was onderbouwd, met name ontbrak het aan aanwijzingen voor wederzijdse zorg. Het enkele feit dat appellant en mevrouw [naam mevrouw] samenwoonden gedurende enkele dagen per week volstond niet. Ook was er geen sprake van een persoonlijke verklaring van appellant die dit bevestigde.
De Raad vernietigde daarom de besluiten tot beëindiging van de uitkering, terugvordering en boete en herroept de eerdere besluiten. Tevens wees de Raad het verzoek tot vergoeding van proceskosten af wegens gebrek aan bewijs van kosten door appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de besluiten tot beëindiging van de nabestaandenuitkering, terugvordering en boete wegens onvoldoende feitelijk onderzoek en motivering.