ECLI:NL:CRVB:2008:BF1167
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- H.C.P. Venema
- O.J.D.M.L. Jansen
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en herleving van nabestaandenuitkering bij gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1 maart 1998 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale verzekeringsbank (Svb) beëindigde deze uitkering per 20 april 2003 omdat appellante een gezamenlijke huishouding ging voeren zonder zorgbehoevendheid. Appellante heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
Na het beëindigen van de gezamenlijke huishouding in maart 2006 diende appellante op 1 mei 2006 een aanvraag in voor herleving van de nabestaandenuitkering. Deze aanvraag werd op 16 mei 2006 afgewezen omdat zij niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van zes maanden was ingediend. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
Appellante voerde onder meer aan dat zij het beëindigingsbesluit van 2003 niet had ontvangen en dat zij als geboren vóór 1950 onder het overgangsrecht viel. De Raad oordeelde dat appellante geacht wordt kennis te hebben genomen van het besluit, mede door haar eigen navraag bij de Svb en de ontvangen informatiebladen. Het overgangsrecht ziet op het ontstaan van het recht en niet op de herleving daarvan. De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de nabestaandenuitkering en wijst het verzoek tot herleving af wegens overschrijding van de wettelijke termijn.