[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 augustus 2006, 05/9303 (hierna: de aangevallen uitspraak),
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 12 september 2008
Namens appellante heeft mr. I.G.M. van Gorkum, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Gorkum. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.
1.1 Bij besluit van 24 maart 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk sinds
13 november 2003 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 23 mei 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.
1.2 Bij beslissing op bezwaar van 11 november 2005, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het namens appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.3 De rechtbank heeft vervolgens het ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe alle voorhanden medische informatie besproken en gewogen en is tot de slotsom gekomen dat er geen aanleiding is het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. Vervolgens heeft zij vastgesteld dat de belastbaarheid van de geduide functies past binnen de opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst, zodat appellante in staat moet worden geacht de door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te verrichten.
2.1 Hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep is aangevoerd, vormt in grote lijnen een herhaling van hetgeen eerder al naar voren is gebracht en geeft de Raad met inachtneming van de navolgende overwegingen geen aanleiding de aangevallen uitspraak rechtens voor onjuist te houden.
2.2 Naar aanleiding van wat betreffende de medische kant in hoger beroep nog is aangevoerd, onderschrijft de Raad hetgeen daarover door het Uwv in haar verweerschrift is opgemerkt. De behandeling door dr. Kurk van het CFS Research Center te Amsterdam, waarvan overigens geen stukken in het dossier te vinden zijn, dateert van ruim na de datum in geding.
2.3 De meest recente informatie van psycho-medisch centrum Parnassia, afkomstig van de spoedpolikliniek d.d. 17 mei 2005, vermeldt als belangrijkste conclusie dat er geen sprake is van psychiatrie in engere zin, en is door de bezwaarverzekeringsarts in de beoordeling betrokken. Voorts is er informatie van de internist A. Folmer d.d.
27 november 2006, die als diagnose vermeldt chronisch vermoeidheidssyndroom. Deze heeft zowel bij lichamelijk als bij aanvullend (laboratorium)onderzoek geen afwijkingen gevonden.
2.4 Zoals de rechtbank ter zitting heeft geconstateerd staat de diagnose op zichzelf niet ter discussie, maar wel welke beperkingen daaruit voortvloeien bij het verrichten van arbeid.
2.5 In navolging van de rechtbank is de Raad tot het oordeel gekomen dat de beschikbare gegevens voldoende steun bieden om te oordelen dat appellante op de in geding zijnde datum op medische gronden naar objectieve maatstaf gemeten in staat moet worden geacht de haar door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen. Aan de eigen, niet met medische gegevens onderbouwde, mening van appellante met betrekking tot haar gezondheidstoestand kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat zij daaraan gehecht wil zien.
3.1 Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.
3.2 De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Centrale Raad van Beroep,
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en
A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 september 2008.