ECLI:NL:CRVB:2008:BF0687
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over beslaglegging op AOW-pensioen wegens niet-betaalde gemeentelijke belastingen
Appellant ontvangt een AOW-uitkering en werd geconfronteerd met een beslaglegging op zijn pensioen vanwege niet-betaalde aanslagen gemeentelijke onroerendezaakbelasting over 2002 en 2003. Namens de gemeente Vught werd een dwanginvordering gedaan door een deurwaarderskantoor, waarbij de inhouding op de AOW-uitkering werd verlaagd tot de beslagvrije voet.
Appellant stelde zich op het standpunt dat het deurwaarderskantoor niet bevoegd was de vordering in te stellen, omdat deze bevoegdheid volgens de Invorderingswet 1990 bij de gemeentelijke ontvanger ligt. Hij voerde aan dat geen mandaat was verleend aan het deurwaarderskantoor. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit van de Sociale Verzekeringsbank wegens strijd met de Algemene wet bestuursrecht, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de Sociale Verzekeringsbank gehouden is medewerking te verlenen aan de dwanginvordering en dat de beoordeling van de geldigheid van de vordering aan de civiele rechter is voorbehouden. Omdat appellant geen verzetprocedure is gestart, kan de Raad de bevoegdheid van de invorderingsinstantie niet toetsen. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Sociale Verzekeringsbank gehouden is medewerking te verlenen aan de beslaglegging op de AOW-uitkering en wijst het hoger beroep van appellant af.