ECLI:NL:CRVB:2008:BE9534
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering AAW- en WAO-uitkering wegens niet-verzekerd zijn bij arbeidsongeschiktheid
Appellant, geboren in 1943, is in 1978 naar Nederland gekomen en viel in 1991 uit voor zijn werkzaamheden. Na een periode van ziekengeld en werkzaamheden tot september 1993 keerde hij terug naar Marokko. In 2000 verzocht hij het UWV om een AAW- en WAO-uitkering toe te kennen. Het UWV weigerde dit op grond dat appellant op het moment van arbeidsongeschiktheid (1 januari 1995) niet verzekerd was. Medische rapportages toonden aan dat de beperkingen pas na vertrek uit Nederland ontstonden.
Appellant maakte bezwaar, waarna het UWV het bezwaar ongegrond verklaarde en stelde dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag 1 juni 1994 was, maar ook toen was appellant niet verzekerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij wel verzekerd was en arbeidsongeschikt was geworden tijdens zijn verblijf in Nederland.
De Raad overwoog dat bij lange tijd tussen arbeidsongeschiktheid en aanvraag de bewijslast bij appellant ligt. Er waren onvoldoende medische gegevens die zijn stelling ondersteunden en onduidelijkheid over zijn verblijf in Nederland. De Raad concludeerde dat appellant niet kon aantonen dat hij verzekerd was op het moment van arbeidsongeschiktheid en bevestigde het eerdere besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de AAW- en WAO-uitkering wegens niet-verzekerd zijn op het moment van arbeidsongeschiktheid.