ECLI:NL:CRVB:2008:BD9922
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- R.C. Stam
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging WAO-uitkering en toekenning immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Appellant had een WAO-uitkering die per 1 augustus 2001 werd beëindigd wegens een daling van zijn arbeidsongeschiktheid tot minder dan 15%. Na bezwaar en beroep werd het besluit vernietigd omdat onvoldoende onderzoek was gedaan naar het maatmaninkomen. Het Uwv nam vervolgens een nieuw besluit tot beëindiging van de uitkering, waartegen appellant bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en beperkte het geschil tot de vaststelling van het maatmaninkomen, waarbij medische aspecten buiten beschouwing werden gelaten.
In hoger beroep stelde appellant dat het geschil breder was en dat het Uwv zijn uitkering met terugwerkende kracht had beëindigd in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Ook voerde hij aan dat de redelijke termijn was overschreden en vroeg hij om een schadevergoeding. De Raad oordeelde dat het geschil hetzelfde was als dat van de rechtbank en dat de medische gronden reeds waren beoordeeld. Het Uwv had het bezwaar onjuist behandeld door het niet als beroepschrift aan de rechtbank door te zenden, waardoor de procedure onnodig werd vertraagd.
De Raad stelde vast dat de redelijke termijn van bijna zeven jaar was overschreden door het bestuursorgaan, zonder rechtvaardiging. Daarom werd het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. Appellant kreeg een immateriële schadevergoeding van € 2.000,-- toegekend en het Uwv werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de WAO-uitkering wordt vernietigd en appellant krijgt een immateriële schadevergoeding van € 2.000,-- toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.