ECLI:NL:CRVB:2008:BD9587
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering beperkingen
Betrokkene ontving sinds 29 januari 2003 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling in 2005 door verzekeringsarts Stout werd de uitkering ingetrokken omdat een urenbeperking niet langer noodzakelijk werd geacht. In bezwaar stelde de bezwaarverzekeringsarts Hoornstra dat er geen medische gronden waren om af te wijken van deze conclusie, ondanks de diagnose fibromyalgie.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit wegens onvoldoende motivering, met name over de inconsistenties in de vastgestelde beperkingen en het ontbreken van een onderzoek naar uitzonderingssituaties. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ging in hoger beroep tegen dit oordeel.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en dat de conclusies voldoende waren gemotiveerd. De Raad vernietigde echter de uitspraak van de rechtbank omdat deze niet de arbeidskundige onderbouwing had beoordeeld. De Raad stelde vast dat de arbeidskundige rapporten uit 2007 de schatting van de arbeidsongeschiktheid voldoende onderbouwden en handhaafde de rechtsgevolgen van het bestreden besluit.
De Raad veroordeelde het Uitvoeringsinstituut tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene in beroep en hoger beroep en bepaalde dat het griffierecht aan betrokkene wordt vergoed.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.