ECLI:NL:CRVB:2008:BD8984
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering ten onrechte betaalde toeslag WW in combinatie met WAO-uitkering
Appellante ontving vanaf september 2004 een WAO-uitkering en vroeg daarnaast een toeslag op haar WW-uitkering aan. Het UWV kende haar aanvankelijk een voorschot toe, maar herzag dit later omdat het totaal van haar uitkeringen het sociaal minimum overschreed. De toeslag werd teruggevorderd over de periode van september 2004 tot november 2005.
Appellante maakte bezwaar tegen de besluiten, dat werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond met het oordeel dat appellante redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat zij te veel ontving. In hoger beroep erkende appellante de te hoge uitkering, maar stelde dat het UWV niet mocht herzien of terugvorderen vanwege haar te goeder trouw handelen en het consumptieve karakter van de uitkering.
De Raad oordeelde dat appellante redelijkerwijs had kunnen beseffen dat zij te veel ontving, mede omdat het toegekende bedrag een voorschot betrof. Het feit dat appellante te goeder trouw handelde en het UWV een fout maakte, vormt geen dringende reden om terugvordering te matigen of te laten vervallen. Ook het feit dat appellante het bedrag had uitgegeven en niet kon terugbetalen, gaf geen aanleiding tot matiging. Het hoger beroep werd verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de ten onrechte betaalde toeslag bevestigd.