ECLI:NL:CRVB:2008:BD8812
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering heropening WAO-uitkering wegens niet-toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als pedagogisch medewerker, viel in januari 2002 uit wegens psychische klachten en kreeg een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%. Na gedeeltelijke werkhervatting meldde zij zich in september 2003 met toegenomen klachten volledig arbeidsongeschikt. Het UWV herzag haar uitkering in oktober 2003 naar 80-100%, maar trok deze in juni 2004 weer in wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.
Appellante meldde zich opnieuw ziek in juni 2004, waarna verzekeringsartsen concludeerden dat haar medische situatie ongewijzigd was gebleven. Het UWV weigerde daarom de heropening van haar WAO-uitkering. De rechtbank vernietigde dit besluit vanwege schending van de hoorplicht, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit. In hoger beroep handhaaft de Centrale Raad van Beroep het oordeel dat het onderzoek door verzekeringsartsen zorgvuldig was en dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid.
Daarnaast oordeelt de Raad dat de proceskosten niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat de gemachtigde van appellante een partnerrelatie met haar onderhoudt, waardoor geen sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van het UWV om de WAO-uitkering te heropenen wordt bevestigd.