ECLI:NL:CRVB:2008:BD7671
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens niet-werkelijke hoofdverblijfplaats
Appellante diende op 4 augustus 2005 een aanvraag om bijstand in bij de gemeente Maastricht. Het College wees deze aanvraag af op 20 september 2005 omdat appellante niet daadwerkelijk woonachtig was op het door haar opgegeven adres, wat essentieel is voor het recht op bijstand. Dit werd onderbouwd met een huisbezoek en een verklaring van appellante.
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit en tegen een eerder besluit van 7 september 2005 waarin zij werd vrijgesteld van een werkverplichting. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het besluit van 7 september 2005 niet-ontvankelijk en het bezwaar tegen het besluit van 20 september 2005 ongegrond. Appellante ging hiertegen in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat de primaire grondslag voor niet-ontvankelijkheid van het bezwaar tegen het besluit van 7 september 2005 onjuist is, maar dat de subsidiaire grondslag standhoudt omdat appellante geen belang meer had bij beoordeling van dat besluit. De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd omdat appellante haar hoofdverblijf niet op het opgegeven adres had en daardoor haar inlichtingenverplichting schond. De latere toekenning van bijstand op basis van een nieuwe aanvraag leidt niet tot een ander oordeel over de in geding zijnde periode.
De Raad ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen omdat appellant niet daadwerkelijk woonachtig was op het opgegeven adres.