ECLI:NL:CRVB:2008:BD7536
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, die zich ziek meldde vanwege reumatische klachten en een WAO-uitkering aanvraagt, werd door het UWV per 30 augustus 2004 de WAO-uitkering ontzegd omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Een verzekeringsarts en een onafhankelijke deskundige bevestigden dat appellant geschikt was voor rugontlastende arbeid zonder urenbeperking.
Appellant voerde aan dat hij slechts 50% gangbare arbeid kon verrichten en dat hij recht had op een aanvullende WAO-uitkering voor de resterende uren. Ook stelde hij dat vanwege vertraagde besluitvorming een uitlooptermijn tot november 2004 moest gelden. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege onvoldoende motivering van de arbeidskundige grondslag, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat later alsnog een toereikende motivering werd gegeven.
In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad het oordeel dat geen urenbeperking gerechtvaardigd is en dat geen recht bestaat op een uitlooptermijn. De Raad volgde het oordeel van de onafhankelijke deskundige en het UWV en bevestigde de eerdere uitspraak. Er is geen aanleiding voor nader onderzoek of afwijking van het uitgangspunt dat het oordeel van de deskundige wordt gevolgd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering per 30 augustus 2004 wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.