ECLI:NL:CRVB:2008:BD7437

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3554 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening WAO-uitkering en beoordeling medische beperkingen in hoger beroep

Appellante, die sinds november 1996 arbeidsongeschikt is, kreeg in 1998 een WAO-uitkering toegekend. In 2005 werd deze uitkering ingetrokken omdat het UWV oordeelde dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Na bezwaar en beroep werd de uitkering vastgesteld op een mate van 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bezwaar ongegrond en niet-ontvankelijk, waarbij zij oordeelde dat het UWV van juiste medische beperkingen was uitgegaan en de functies passend waren. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het CBBS onvoldoende toetsbaar en verifieerbaar was, en dat zij de functies niet kon vervullen.

De Raad stelde vast dat appellante geen nieuwe medische gegevens had overgelegd en dat er geen bewijs was dat zij de functies niet kon vervullen. Wel concludeerde de Raad dat het UWV pas in hoger beroep een toereikende motivering gaf voor de medische geschiktheid van de functies, waarmee de gebrekkige motivering in het bestreden besluit werd opgeheven.

Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit ongewijzigd. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante.

Uitkomst: Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het UWV wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

06/3554 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 16 mei 2006, 05-3491 WAO (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 11 juli 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. G.B.A. Bol, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2008, waar voor het Uwv is verschenen de heer F.M.J. Eijmael. Na de behandeling van het geding ter zitting heeft de Raad besloten het onderzoek te heropenen om, zoals van haar zijde was verzocht, appellante in de gelegenheid te stellen nog te reageren op door het Uwv in een laat stadium ingebrachte arbeidskundige stukken.
Het geding is vervolgens aan de orde gesteld ter zitting van 30 mei 2008, waar partijen, zoals zij tevoren hadden bericht, niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante is in november 1996 uitgevallen voor haar werk als medewerkster huishoudelijke dienst in een bejaardentehuis nadat zij betrokken was geraakt bij een
kop-staart-botsing. Bij besluit van 22 januari 1998 is aan haar per 10 november 1997 een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer toegekend.
1.1 Bij besluit van 3 februari 2005 is de WAO-uitkering aan appellante per 28 maart 2005 ingetrokken onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedraagt, aangezien zij in staat moet worden geacht om met inachtneming van de bij haar vastgestelde medische beperkingen passende werkzaamheden te verrichten waarmee zij meer dan 85% kan verdienen van hetgeen de aan haar gelijksoortige gezonde persoon zou kunnen verdienen, zodat er geen verlies aan verdiencapaciteit is.
Bij besluit van 27 juni 2005 is het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit van
3 februari 2005 ongegrond verklaard.
2. Naar aanleiding van het ingestelde beroep heeft de bezwaararbeidsdeskundige
W.Th. Pompe de geduide functies nogmaals bekeken, waarbij hij in zijn rapport van
6 september 2005 tot de conclusie is gekomen dat het verlies aan verdiencapaciteit 15,2% bedraagt. Hierop heeft het Uwv bij nadere beslissing op bezwaar van 14 september 2005 (het bestreden besluit) de hoogte van de uitkering vastgesteld naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
2.1 Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vervolgens het beroep van appellante tegen de beslissing op bezwaar van 27 juni 2005 niet-ontvankelijk verklaard, en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - onder verwijzing naar de diverse rapportages van behandelende artsen van appellante overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het Uwv van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan en dat de aan appellante voorgehouden functies op goede gronden aan de schatting ten grondslag zijn gelegd.
3. In hoger beroep heeft appellante - onder verwijzing naar hetgeen zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd - haar standpunten herhaald. Zij acht zich niet in staat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. In dat verband heeft zij met een beroep op de zogenoemde CBBS-1-uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (o.a. LJN:AR4716) en de uitspraak van de rechtbank Almelo van 13 januari 2006 (LJN:AU9709) naar voren gebracht dat het CBBS na de door het Uwv aangebrachte aanpassingen per 1 juli 2005 nog steeds onvoldoende inzichtelijk, onvoldoende toetsbaar en onvoldoende verifieerbaar is en de aangevallen uitspraak ook om die reden niet in stand kan blijven.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1 Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het Uwv van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. In hoger beroep heeft appellante geen medische gegevens meer overgelegd ter ondersteuning van haar standpunt dat zij ten tijde in geding meer of ernstiger medische beperkingen had dan door het Uwv is vastgesteld.
4.2 Voorts is gesteld noch gebleken dat appellante, uitgaande van de juistheid van de door het Uwv vastgestelde medische beperkingen, de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet zou kunnen vervullen.
4.3 Het beroep van appellante op de uitspraak van de rechtbank Almelo slaagt niet, zulks gelet op de met betrekking tot die materie door de Raad gedane zogenoemde CBBS-2-uitspraken van 12 oktober 2006 (o.a. LJN:AY9971), waarin de Raad heeft geoordeeld dat met de door het Uwv na de eerdere CBBS-1-uitspraken van de Raad van
9 november 2004 aan het CBBS aangebrachte aanpassingen in voldoende mate tegemoet is gekomen aan de kritiekpunten van de Raad. De Raad veroorlooft zich hier verwijzing naar die CBBS-2-uitspraken.
5. De Raad stelt evenwel vast dat in dit geval eerst in hoger beroep door bezwaararbeidsdeskundige G.J.W. van der Hulst in zijn rapportage van 14 maart 2008 een toereikende motivering door het Uwv is verstrekt op een aantal nog niet toegelichte signaleringen onderscheidenlijk op een aantal zogenoemde niet-matchende items in de geduide functies. Met deze toelichtingen is eerst sprake van een situatie dat de gebrekkige motivering van het bestreden besluit wat betreft de medische geschiktheid van de geduide functies is opgeheven op een wijze die voldoet aan de meergenoemde CBBS-uitspraken van de Raad.
5.1 De Raad concludeert al met al dan ook dat de aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit dienen te worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.
6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2008.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.W.A. Schimmel.
TM