ECLI:NL:CRVB:2008:BD7434
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde vaststelling WAO-uitkering ondanks combinatie klachten
Appellant, werkzaam als schoonmaker, kreeg vanaf 1 april 1997 een WAO-uitkering toegekend wegens arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Na toegenomen klachten in 2002 werd hij opnieuw medisch onderzocht, waarbij beperkingen werden vastgesteld die leidden tot een verlies aan verdienvermogen van 37%. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd vast.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege onvoldoende motivering van de functies die het UWV aan appellant voorhield, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het UWV alsnog een adequate toelichting had gegeven. In hoger beroep voerde appellant aan dat onvoldoende rekening was gehouden met de combinatie van zijn klachten, waaronder pijn en psychische klachten, en dat de functies ongeschikt waren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de functies medisch passend waren en dat de arbeidskundige rapportage voldoende inzichtelijk en toetsbaar was. De Raad vond geen reden om het oordeel van de rechtbank te wijzigen en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er was geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de ongewijzigde vaststelling van de WAO-uitkering van appellant.