ECLI:NL:CRVB:2008:BD7303
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks betwisting psychische beperkingen
Appellante ontving aanvankelijk een WAO-uitkering van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. Het UWV besloot in 2004 tot herziening van deze uitkering naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%, ingaande december 2004. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante eveneens ongegrond, waarbij zij het oordeel van de verzekeringsartsen en de motivatie omtrent de voorgehouden functies onderschreef.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische beperkingen en medicatie onvoldoende waren meegewogen, en dat zij de voorgehouden functies niet kon verrichten. Ter onderbouwing diende zij een brief van haar behandelend psychiater in. De Raad stelde echter vast dat deze brief onvoldoende medische onderbouwing bevatte om het eerdere oordeel te weerleggen. De Raad sloot zich aan bij de eerdere medische beoordelingen, waaronder de Functionele Mogelijkhedenlijst en rapportages van verzekeringsartsen en psychiaters.
De Raad concludeerde dat de arbeidsdeskundige voldoende had gemotiveerd dat de belastbaarheid van appellante niet werd overschreden door de voorgehouden functies. Gezien deze overwegingen werd het hoger beroep afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 45-55% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd en het hoger beroep van appellante wordt afgewezen.