ECLI:NL:CRVB:2008:BD7018
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M. Wulffraat-van Dijk
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging UWV-besluiten wegens onvoldoende medische grondslag bij WAO- en ZW-uitkering
Betrokkene, werkzaam als callcenteragent, viel op 25 oktober 2002 uit wegens ziekte. Zij kreeg vanaf 24 oktober 2003 een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het UWV beëindigde later de Ziektewet-uitkering per 21 maart 2005, omdat betrokkene geschikt werd geacht voor arbeid. Betrokkene maakte bezwaar tegen deze besluiten.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn, maar de Centrale Raad vernietigde deze uitspraak en verwees de zaak terug. De Raad oordeelde dat het primaire medisch onderzoek was uitgevoerd door een niet-geregistreerde arts, wat onvoldoende is voor een juiste medische grondslag. Het bezwaaronderzoek door een geregistreerde verzekeringsarts had niet mogen volstaan met alleen dossieronderzoek, maar vereiste een eigen onderzoek.
Het UWV stelde dat het gebrek in bezwaar was hersteld, maar de Raad verwierp dit omdat betrokkene niet was opgeroepen voor nader onderzoek ondanks aanwijzingen daarvoor. Ook het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering verloor daarmee zijn grondslag. De Raad vernietigde beide besluiten en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen, waarbij betrokkene recht heeft op proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De besluiten van het UWV worden vernietigd wegens onvoldoende medische grondslag en het UWV moet een nieuw besluit nemen.