ECLI:NL:CRVB:2008:BD6889
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loondervingsuitkering bij toegenomen arbeidsongeschiktheid zonder WAO-verzekerde werkzaamheden
Appellant ontving sinds 5 april 1999 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidsgraad van 35 tot 45%. Na het faillissement van zijn werkgever stopte hij met werken en kreeg een WW-uitkering. In 2004 meldde appellant zich toegenomen arbeidsongeschikt, waarna het UWV de WAO-uitkering verhoogde naar 80 tot 100% vanaf 26 juni 2006. Het UWV weigerde een loondervingsuitkering toe te kennen omdat appellant op het moment van toename geen WAO-verzekerde werkzaamheden verrichtte.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat artikel 40 lid 3 WAO Pro vereist dat de betrokkene op het moment van toename van arbeidsongeschiktheid verzekerd was op grond van het verrichten van werkzaamheden. Dit was niet het geval, waardoor geen recht op loondervingsuitkering bestaat.
Ook de berekening van het dagloon door het UWV werd als juist beoordeeld, waarbij de referteperiode van 1 juni 2003 tot 1 juni 2004 correct werd toegepast. Appellant kon onvoldoende onderbouwing leveren voor een eerdere datum van toegenomen arbeidsongeschiktheid. De Raad wees het hoger beroep af en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen omdat appellant geen WAO-verzekerde werkzaamheden verrichtte ten tijde van de toegenomen arbeidsongeschiktheid en daardoor geen recht heeft op een loondervingsuitkering.