ECLI:NL:CRVB:2008:BD6151
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- R.P.T. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds 1994 wegens psychische klachten arbeidsongeschikt was, kreeg vanaf 1995 een WAO-uitkering toegekend van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. Na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige in 2004 en 2005, besloot het UWV de uitkering per 9 april 2005 in te trekken omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg.
Appellant maakte bezwaar en stelde in hoger beroep dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat zijn psychische klachten hem verhinderen arbeid te verrichten. Ook wees hij op de start van gedragstherapie in 2006 en de latere toekenning van een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering.
De Raad overwoog dat de beperkingen van appellant weliswaar invloed hebben op zijn zelfredzaamheid, maar dat er geen sprake was van volledig onvermogen tot functioneren. Het UWV had rekening gehouden met de beperkingen en op basis van de Functionele Mogelijkheden Lijst waren er passende functies die appellant kon vervullen met minder dan 15% inkomensverlies. De latere toekenning van een volledige uitkering was gebaseerd op een andere medische situatie.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering per 9 april 2005 wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.