ECLI:NL:CRVB:2008:BD5703

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3876 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit gedeeltelijke WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering passendheid functies

Appellante, werkzaam als bijstandsconsulente, viel op 21 oktober 2003 uit wegens diverse gezondheidsklachten waaronder het syndroom van Sjögren en MCTD. Het UWV kende haar een gedeeltelijke WAO-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55 tot 65%, een besluit dat door appellante werd bestreden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep voerde appellante aan dat de Functionele Mogelijkheden Lijst onvoldoende rekening hield met haar beperkingen en dat zij niet in staat was om de geselecteerde functies te vervullen. Zij verzocht ook om inschakeling van een deskundige.

De Raad stelde vast dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de klachten adequaat waren meegewogen. De inschakeling van een deskundige werd afgewezen. Wel oordeelde de Raad dat de arbeidskundige onderbouwing van de passendheid van de geselecteerde functies pas in hoger beroep voldoende was toegelicht. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand conform artikel 8:72 Awb Pro.

Tot slot veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellante en bepaalde dat het griffierecht aan haar werd vergoed.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de passendheid van de geselecteerde functies, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

06/3876 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 1 juni 2006, 05/2046 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 juni 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. V.M.W. Bongers, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een aanvullend stuk met bijlagen ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2008. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L. Boon, kantoorgenoot van mr. Bongers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G. Lavrijsen.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.
2. Appellante, die werkzaam is geweest als bijstandsconsulente, is op 21 oktober 2003 uitgevallen wegens gewrichtspijnen, vermoeidheids-, rug- en schouderklachten. Tevens is de diagnose S. van Sjögren en MCTD (Mixed Connective Tissue Dissease) gesteld en geconstateerd dat zij last heeft van het Fenomeen van Raynaud.
2. Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 10 juni 2005 (hierna: bestreden besluit) waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn besluit van 29 november 2004, strekkende tot toekenning van een uitkering aan appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering per 19 oktober 2004 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
4. In hoger beroep heeft appellante -kort samengevat- doen aanvoeren dat in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) onvoldoende rekening is gehouden is met haar klachten en beperkingen en dat zij niet in staat is om vier uur per dag / twintig uur per week werkzaamheden te verrichten. Ter ondersteuning is verwezen naar de informatie van de haar behandelende artsen en is verzocht om inschakeling van een deskundige. Tenslotte is appellante van mening dat zij door haar beperkingen niet in staat is de geselecteerde functies te vervullen.
5. Voor wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit kent de Raad evenals de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek van die artsen zorgvuldig en weloverwogen geweest, waarbij de Raad aantekent dat informatie van de behandelende sector is meegewogen en dat in de FML in voldoende mate rekening is gehouden met alle klachten en beperkingen van appellante. In dit verband merkt de Raad op dat de bezwaarverzekeringsarts L.T.M. Lenders genoegzaam heeft gereageerd op de door de reumatoloog en fysiotherapeut verstrekte informatie over de gezondheidssituatie van appellante. De Raad wijst het herhaalde verzoek tot inschakeling van een deskundige dan ook af.
6. Voor wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit stelt de Raad evenwel vast dat een deugdelijke toelichting en motivering waarom de geselecteerde functies passend zijn geacht voor appellante, in hoger beroep is gegeven door de bezwaararbeidsdeskundige A.G.W.P. van Gorp. Naar het oordeel van de Raad zijn met deze rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige, in aanvulling op de eerdere arbeidskundige rapportages, de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid in de geselecteerde functies uiteindelijk voldoende en adequaat gemotiveerd en is hiermee op voldoende wijze inzicht geboden in en voldoende mogelijkheid tot toetsing verschaft van de arbeidskundige grondslagen en uitgangspunten waarop de schatting in onderhavig geval berust.
7. De Raad concludeert op basis van het hiervoor overwogene dat, nu eerst in hoger beroep het bestreden besluit is voorzien van een deugdelijke onderbouwing, het bestreden besluit dient te worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.
8. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep, op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 38,06 voor de gemaakte reiskosten, in totaal € 1.326,06.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 1.326,06, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 142,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en
A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen, uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2008.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) R.L. Rijnen
RB