ECLI:NL:CRVB:2008:BD3517
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bruikleenauto en intrekking financiële tegemoetkoming niet redelijk
Appellante, rolstoelgebonden door een progressieve neurologische aandoening, ontving sinds 1997 een bruikleenauto en financiële tegemoetkoming voor vervoer. In 2005 besloot de gemeente Breda deze voorzieningen te beëindigen en in te trekken, omdat volgens een medisch advies collectief vervoer met een rolstoeltaxi mogelijk zou zijn. Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij vanwege haar medische situatie en sociale beperkingen geen gebruik kan maken van het collectief vervoer.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en vond het medisch advies zorgvuldig. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen, omdat herbeoordelingen van voorzieningen volgens het gemeentelijk beleid plaatsvinden bij nieuwe aanvragen. In hoger beroep handhaafde de Raad deze overwegingen, maar oordeelde dat het aanscherpen van het beleid en de afhankelijkheid van het moment van aanvraag tot een ongerechtvaardigd verschil in behandeling leidt.
De Raad concludeerde dat het besluit niet op een redelijke belangenafweging berust en vernietigde het besluit en de aangevallen uitspraak. De Raad herroept het besluit van 3 mei 2005 en veroordeelt de gemeente tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de bruikleenauto en intrekking van de financiële tegemoetkoming wordt vernietigd wegens strijd met de redelijke belangenafweging.