ECLI:NL:CRVB:2008:BD3196
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid vereist arbeidskundige herbeoordeling
Appellante, werkzaam als tuinbouwmedewerkster, kreeg een WAO-uitkering toegekend wegens arbeidsongeschiktheid. Zij meldde in augustus 2004 een toename van haar klachten, waaronder urge-incontinentie. Het UWV herzag haar uitkering per 31 december 2004 naar een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse. Een bezwaarverzekeringsarts concludeerde op basis van dossieronderzoek dat de beperkingen niet waren toegenomen, waardoor geen arbeidskundige herbeoordeling plaatsvond en het bezwaar ongegrond werd verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat de toename van haar klachten reeds in augustus 2004 bestond en dat deze voortkwam uit dezelfde oorzaak als haar eerdere klachten. De Raad oordeelde dat de toename van de klachten binnen vijf jaar na de herziening viel en dat een wachttijd van vier weken gold. De Raad vond de papieren beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende onderbouwd en stelde dat een eigen medisch onderzoek en een arbeidskundige herbeoordeling noodzakelijk waren.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht en bepaalde dat het UWV opnieuw op het bezwaar moet beslissen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot herziening van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.