ECLI:NL:CRVB:2008:BD2827
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en beoordeling arbeidsongeschiktheid met nadere arbeidskundige toelichting
Betrokkene ontving sinds 2001 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55-65%. Het UWV besloot in 2004 de uitkering niet te verhogen, ondanks een toename van de arbeidsongeschiktheid in maart en augustus 2003, omdat deze niet onafgebroken vier weken duurde. Na bezwaar en aanvullend onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts en arbeidsdeskundige werd de mate van arbeidsongeschiktheid per 21 augustus 2003 vastgesteld op 65-80%.
De rechtbank Arnhem oordeelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom betrokkene geschikt zou zijn voor de geduide functies, ondanks beperkingen in aandacht en geheugen, en verklaarde het besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. In hoger beroep voerde betrokkene onder meer aan dat de beperkingen onjuist waren vastgesteld en dat het dossier onvolledig was.
De Raad oordeelde dat de medische grondslag van het besluit juist was, mede gelet op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts, en dat het ontbreken van bepaalde brieven in het dossier betrokkene geen nadeel had berokkend. De grief over de loonwaardebepaling faalde eveneens. Het hoger beroep van het UWV werd afgewezen omdat de arbeidskundige motivering pas in hoger beroep was aangevuld.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het bestreden besluit, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot betaling van proceskosten aan betrokkene en tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het UWV wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.