ECLI:NL:CRVB:2008:BD1910
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geschiktheid arbeid en maatgevende arbeid bij Ziektewetuitkering
Appellant was werkzaam als machineoperator en viel uit wegens spierklachten. Het UWV weigerde een WAO-uitkering omdat appellant geschikt werd geacht voor bepaalde functies met minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. Appellant werkte deels als logistiek medewerker en later administratief voor 20 uur per week. Na een onderzoek door een verzekeringsarts in het kader van de Ziektewet werd vastgesteld dat appellant, ondanks beperkingen aan de rechterschouder, geschikt was voor ten minste één van de WAO-voorgehouden functies.
Het UWV beëindigde daarom de ziekengelduitkering per 10 oktober 2005. Appellant maakte bezwaar en leverde medische informatie aan, maar de bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat appellant functioneel beperkt was maar nog steeds in staat was om ten minste 16 uur per week te werken in de WAO-functies gecombineerd met de administratieve werkzaamheden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd aangenomen dat onder 'zijn arbeid' elk van de WAO-voorgehouden functies afzonderlijk moest worden verstaan. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de maatgevende arbeid bestaat uit de combinatie van de administratieve werkzaamheden voor 20 uur per week en de WAO-geschikte functies voor 16 uur per week. De Raad onderschreef de medische beoordeling en bevestigde het bestreden besluit. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant niet meer ongeschikt is voor zijn arbeid en dat de maatgevende arbeid bestaat uit administratieve werkzaamheden gecombineerd met WAO-geschikte functies.