ECLI:NL:CRVB:2008:BD0463
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- K. Zeilemaker
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar na een onderzoek op basis van informatie van de Belastingdienst bleek dat zij vanaf 1 januari 2001 een gezamenlijke huishouding voerde met een partner. Dit werd niet gemeld, waardoor zij de inlichtingenverplichting schond.
De sociale recherche voerde een onderzoek uit met huisbezoek, verklaringen en buurtonderzoek, wat leidde tot het besluit van het Dagelijks bestuur om de bijstand met terugwerkende kracht in te trekken en de kosten terug te vorderen. De rechtbank vernietigde het besluit van het Algemeen bestuur wegens onbevoegdheid, maar liet de rechtsgevolgen van het intrekkingsbesluit in stand.
In hoger beroep richtte appellante zich tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen, maar de Raad oordeelde dat de verklaring van appellante over de gezamenlijke huishouding vrij en zonder druk was afgelegd en dat het Dagelijks bestuur terecht de bijstand introk en terugvorderde. Het beleid omtrent terugvordering voldeed niet volledig aan eerdere jurisprudentie, maar er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding worden bevestigd.